Factsheet Scheiding van Kerk en Staat 

Wat is de scheiding van kerk en staat?
In 1795, bij de Bataafse omwenteling, is door de Fransen een begin gemaakt met de scheiding van kerk en staat. Tot die tijd kende Nederland een ‘bevoorrechte kerk’ ( aanvankelijk de gereformeerde en later de Nederlandshervormde kerk). In de loop van de 19de en 20e eeuw heeft deze scheiding vorm gekregen.

 

De scheiding van kerk en staat is niet vast gelegd in één wetsartikel, maar in verschillende (grond)wettelijke bepalingen en beginselen, waaronder het recht op gelijke behandeling (van personen en groepen) en de vrijheid van godsdienst. De scheiding van kerk en staat houdt in dat er geen institutionele zeggenschap over en weer mag zijn.

 

De overheid mag de staat volgens eigen inzichten, zonder zeggenschap van de kerken, inrichten. De kerken zijn op hun beurt vrij van overheidsinmenging bij de vormgeving van hun organisatie en in de aanstelling van functionarissen. Ook mag de overheid zich niet met de geloofsleer bemoeien en hebben kerken geen formele positie in de publieke besluitvormingsprocedure.

 

Neutraal overheidsbeleid
In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht betekent het principe tussen de scheiding van kerk en staat niet dat de overheid en de publieke ruimte, zoals bij de Franse laïcité, volledig a-religieus zijn. Nederland kent bijvoorbeeld een bede na de troonrede, de tekst "God zij met ons" op de euro en het ambtsgebed in sommige gemeenteraden.

 

Scheiding van Kerk en Staat betekent in Nederland dat er sprake moet zijn van een neutraal overheidsbeleid. Hieronder wordt een beleid verstaan dat verschillende geloof- en levensbeschouwelijke tradities in evenredigheid tegemoet komt. Hierbij wordt vaak verwezen naar artikel 6 van de grondwet: de Vrijheid van godsdienst.

 

Genieten van godsdienstvrijheid
Staatsrechtgeleerden verschillen van mening over de interpretatie van artikel 6. Sommigen, waaronder Hirsch Ballin vinden dat dit artikel verder strekt dan het alleen waarborgen van de godsdienstvrijheid. Zij vinden dat dit grondrecht ook een sociale component heeft, namelijk dat iedereen, ook de sociaaleconomisch zwakkere, volledig van zijn vrijheid van keuze in religie moet kunnen genieten. Dit kan volgens hen betekenen dat er op de overheid een beroep wordt gedaan om voorzieningen te treffen om de godsdienstvrijheid te garanderen.

 

Lees hier de hele factsheet.